Roofs 2017-09-42 Brandveilig dakdekken met open vuur

Special Brandveiligheid

Met enige regelmaat komt in het nieuws dat een dakbrand is ontstaan. Hoewel die lang niet altijd ontstaan als gevolg van dakdekkerswerkzaamheden, is dat vaak wel de perceptie. In dit artikel de aandachtspunten nog eens op een rijtje.

Ad Verhoeven, SBD

De traditionele manier van het aanbrengen van een (bitumineuze) dakbedekking is met behulp van een brander. Dit is open vuur en dat houdt vanzelfsprekend het risico in dat materialen in brand kunnen worden gestoken. Met name in de randzones en bij opgaand werk en detailleringen moet extra voorzichtigheid in acht worden genomen. Het is verplicht om bij dakdekkerswerkzaamheden standaard twee ABC brandblussers van minimaal 12 kg paraat te hebben. Het kan voorkomen dat een opdrachtgever het aanstellen van een brandwacht eist. Deze taak mag niet worden gecombineerd met reguliere dakdekkerswerkzaamheden.

Oorzaken dakbranden

Wat de meest voorkomende oorzaak van dakbranden is, hangt af van degene aan wie je het vraagt. Zo’n 75% van het totaal aantal dakbranden waar een dakdekker bij is betrokken, ontstaat door het gebruik van open vuur bij opgaand gevelwerk en randen. 8% is een gevolg van oververhitting van de bitumenketel en 17% heeft een ­andere oorzaak (dakvlak, droogbranden, gaslek slangen). Veruit de meeste dakbranden bij dakdekkerswerkzaamheden ontstaan bij ­renovatie- en onderhoudswerken (80%).

Vraag je het de verzekeraars, dan is de meest voorkomende oorzaak het werken met branders aan details en een gebrek aan (na)controle na het beëindigen van de werkzaamheden. Kort samengevat is dus de dakbrand vaak te wijten aan het onzorgvuldig werken en onvoldoende ervaring bij het uitvoeren van dakwerk, reparaties en onderhoud. De verzekeraar houdt ook niet van toepassing van brandbaar isolatiemateriaal.

Vraag je het de dakdekkers, dan ligt het probleem veelal in de fouten in het ontwerp/bestek. Het probleem is dus doorgaans een gebrek aan kennis bij ontwerpers (bij nieuwbouw); bij renovatie worden brand­gevaarlijke situaties niet goed ingeschat. Ook het veelvuldig gebruik van prefab elementen (naden) levert een risico op.

Arbocatalogus Platte Daken

In de Arbocatalogus Platte daken staan afspraken en aanbevelingen voor het organiseren van brandveilig werken op daken. De NEN 6050 is hierop een nuttige aanvulling. Afhankelijk van de aard van het werk en de aanwezigheid van thermische bronnen of branders kan brand ontstaan. Onjuist of onbewust handelen in combinatie met brandbare materialen kan leiden tot verbranding. De minimale eisen en voorschriften met betrekking tot brandveilig werken op daken zijn vast­gelegd in de Arbocatalogus Platte daken. Sinds 2009 kan de NEN 6050 hierbij worden gezien als een praktijkrichtlijn voor uitvoering van details. Op de website van SBD is de toolbox ‘Brandveilig werken’ beschikbaar.

Hieronder puntsgewijs de aandachtspunten:

Onderconstructie:

Op kiergevoelige, houten, houtachtige en geprofileerd stalen onderconstructies dient men de (bitumineuze) dampremmende laag of sluitlaag, inclusief alle aansluitingen, zonder het gebruik van open vuur aan te brengen. De aansluiting van de dampremmende laag bij dakranden, dakopstanden, dakdoorbrekingen en gevels moeten brandveilig worden ontworpen en uitgevoerd.

Randaansluitingen:

De randaansluiting bij opstanden en randen dienen te ­worden uitgevoerd volgens navolgend principe:

  • De bitumen laag aanbrengen tot in de kim van de ­dakrand of dakopstand;
  • Een zelfklevende bitumen randstrook aanbrengen van ca 50 mm boven het niveau van de aan te brengen thermische isolatie tot minimaal 100 mm op de damp­remmende laag of sluitlaag.

Gevelaansluitingen en overstekende bouwdelen:

Bij gevelaansluitingen mag over een breedte van 750 mm niet met open vuur worden gewerkt.

Indien de afstand van een overstekend bouwdeel tot de ­bovenzijde van het dak kleiner is dan 2000 mm mogen in een horizontale zone van 750 mm, ­gemeten vanaf dit punt, geen werkzaamheden worden uitgevoerd met gebruik van open vuur.

Dakranden en dakdoorvoeren:

Bij dakranden en dakdoorvoeren moet de onderconstructie worden afgeschermd, opdat er geen open vuur bij brand­bare materialen, dan wel via naden en kieren in de constructie kan komen.

Bij gootconstructies onder hellende daken en bij dakkapellen gelden overigens de bij gevelaansluitingen en dakranden genoemde uitgangspunten, omdat het resterende dak­oppervlakte dermate gering is dat op deze dakdelen niet met open vuur mag worden gewerkt.

Alternatieven

Het is mogelijk met een föhn materiaal in brand te steken. Toch zijn er in de praktijk nauwelijks brandschades als gevolg van het werken met een föhn. Dit vanwege de gecontroleerde en geconcentreerde warmtestroom. De grens ligt bij temperaturen van 300° C tot 350° C.

Een ander alternatief voor het werken met open vuur is het werken met zelfklevende materialen. Kies bij voorkeur voor oplossingsvrije kleefmiddelen. Bij onderhoud en bestaande bouw is van belang dat wordt voorgesmeerd met een primer. Bij nieuwbouw wordt een speciale eerste laag aangebracht. Meestal bestaan kleefstoffen uit twee componenten: ­poly­urethaan en bitumen. Deze materialen worden op het dak vaak vermengd en moeten binnen 10 minuten verwerkt worden omdat de lijm in korte tijd is uitgehard.

Droogbranden

Tenslotte: het drogen met een brander kan ook gevaarlijk zijn, vooral bij de gevelaansluiting, dakranden, dakdoorbrekingen (details) en opstanden. Er wordt immers vaak stevig ‘gas’ gegeven, zodat de vlam zich over een flink oppervlak uitspreidt. De vlam kan bij de details gemakkelijk weglekken in een kier, spleet of (gevel)spouw. Ook hiervoor zijn veiligere alterna­tieven met hete lucht beschikbaar.

Indien men volgens de richtlijnen werkt, is de kans op het ontstaan van een dakbrand als gevolg van dakdekkers­werkzaamheden tot een minimum beperkt. Deze manier van werken vraagt wel om scholing en inzet van de medewerkers. Aandacht voor arbovriendelijk materiaal en gereedschap is onontbeerlijk.

Labels