Roofs 2018-10-34 In een bouwkeet op het dak

Dagboek van een ‘dakboswachter’

Renée Rooijmans is stadsantropoloog bij STIPO en woont van juni tot en met december van dit jaar in een bouwkeet op het dak van de Hofbogen in ­Rotterdam. Zie ook het artikel ‘Met de seizoenen mee’ in Roofs augustus 2018. Zij houdt voor Roofs een dagboek bij over hoe het is om op het dak te wonen.

September

De zomer lijkt nog voort te duren. Het is nog geen enkele nacht koud geweest. Gelukkig maar, want ik moet nog wel wat doen om mijn dakhut winterklaar te maken. De scholen zijn weer begonnen, ik kan de tijd aflezen aan de momenten dat de studenten van het Grafisch Lyceum uitwaaieren over het dak.

De mannen van Binder Groenprojecten, die in september de aanleg van een speeldijk realiseren, passen volledig in het plaatje, met de door Lena en Laurens van buro Walden omgebouwde bouwkeet op het dak. Mooier nog: volgens mij lijk ik nu zélf misplaatst. De bouwkeet had van hen ­kunnen zijn. In plaats daarvan woont er een jonge vrouw die nu gehaast zorgt dat ze aangekleed is voor de klok van de Arminiuskerk 7 uur laat zien.

In de ochtend zet ik altijd gelijk de waterkoker aan, zodat ik een voorraadje heb voor thee, havermout en een afwasje. Gelukkig had ik gisteravond nog water gehaald bij het kraantje op het perron. Ondanks dat ik mijn huisje op water kan aansluiten, vind ik het wel een mooi gebaar om in de ochtend en de avond een actieve handeling uit te voeren om mezelf van water te voorzien. Sinds een week steek ik mijn stormlamp, die me in de avond van licht voorziet, ook in de ochtend even aan. Voor de sfeer en de illusie van warmte.

Eenmaal buiten steek ik het, na de droogte langzaam weer groen wordende, veld over om via het perron bij het zuidelijke hek te komen dat ik elke ochtend open. Dat gaat via iemand anders, die het technische beheer van het dak doet. Enigszins omslachtig en ook wel grappig, het contact dat we hebben vroeg in de ochtend om de poorten te openen. Terwijl ik terug naar mijn bouwkeet loop, ruim ik nog wat rondzwervend afval op.

Op een eerdere ochtend werd er al even gekscherend over koffie gesproken. Vandaag besloot ik mijn koffiebonen uit Colombia (van Man Met Bril, die ik met de hand maal en vervolgens met een Aeropress tot een bakkie omtover) te delen. Met een stukje ontbijtkoek erbij. Samen praten we over het dak en ook hoe ver het nog doorloopt en we fantaseren over hoe het zou zijn als zwembad van twee kilometer lang. Of een schaatsbaan.

Na de afwas werp ik nog een blik op de pompoen die flink aan het groeien is, op weg naar het andere uiteinde van het dak, waar ik het tweede hek aan de noordelijke kant van het dak ook open.

Het dak is weer van iedereen.

Daar zit het hem in. Uniek aan dit dak als semi-openbare ruimte is namelijk dat het echt uitstraalt dat het van iedereen is. Zelfs een groep stedenbouwkundigen uit Gothenburg die laatst zomaar bij me aanklopte wist dit gevoel te herkennen. Daarbij speelt het kunnen laten zegevieren van nieuwsgierigheid volgens mij een belangrijke rol. Er zijn genoeg plekken om semi-privé door te brengen, aan de picknicktafel bijvoorbeeld, en tegelijkertijd heeft men ook daar het gevoel onderdeel te zijn van het grotere geheel. Mensen zijn op zoek naar plekken waar ze in vrijheid kunnen bewegen en toch een zeker gevoel van veiligheid of geborgenheid kunnen ervaren, zoals Jay Appleton ook stelt in zijn theorie over ‘prospect and refuge’ in The Experience of Landscape.

De paadjes die door de tuin lopen worden veel gebruikt en mensen kijken momenteel verwonderd naar het fruit aan de bomen. Ik heb eerder deze zomer mensen op de kunststof schapen, die hier op het veld staan, zien klimmen om een kers te plukken. Ook komen mensen uit de buurt herhaaldelijk langs om te weten wanneer de appels aan de bomen klaar voor zijn voor de oogst. Over het algemeen zijn er maar weinig plekken in de stad waar we op deze manier in contact kunnen zijn met stadsnatuur. De prikkelbosjes in een stuk doorsnee stadsgroen zijn toch een stuk minder uitnodigend dan het heem dat hier het dak bedekt.

Naast het prachtige uitzicht, is het dus juist wat er zich op de grond en op ooghoogte afspeelt, wat mensen prikkelt om wat langer te verblijven in deze ruimte. Je ziet mensen letterlijk vertragen zodra ze het dak opkomen, de stedelijke haast lijkt even vergeten. Er grazen vaak duiven op ‘t grote veld, en daarnaast vliegen er allerlei kleinere vogeltjes rond in de tuin. Ook vlinders en andere insecten zijn aanwezig, en in de avond kun je krekels horen. Zo leerde ik dat je de temperatuur kunt berekenen aan de hand van het getjirp van krekels (bron: Natuurmonumenten).

Een ander leuk weetje gaat over de houtsnippers op de ­paden, die van de populieren uit de Raampoortstraat ­afkomstig zijn. Doordat ik dagelijks op ‘t dak ben, merkte ik op een dag dat er gesnoeid werd door twee mannen in een kraan. Uiteraard werd ook toen ongegeneerd om koffie gevraagd toen ik uit mijn bouwkeet stapte. Mijn nieuwsgierig­heid leidde ertoe dat ik de mannen benaderde en later die dag lag er een verse berg houtsnippers voor ons klaar onderaan de trap. De volgende ochtend werden alle paden van een nieuwe laag voorzien, die langzaam zal compos­teren en gebruikt kan worden voor de tuin volgend jaar. Zo is veel van wat er zich op dit groene en grijze dak afspeelt onzichtbaar voor de toevallige passant.

In oktober zal ik meer vertellen over de onzichtbare verhalen en de oogst van het dak en tevens ook meer uitleg geven over de samenstelling van het heem.

Renée Rooijmans

Labels