Roofs 2019-02-72 Roofing Holland: Certificering: zijn we op de goede weg? / Certificering: zijn we op de goede weg?

Jubileum

In de Roofing Holland van december 1996 heeft Arno Bron een artikel ­geschreven met dezelfde titel: “Certificering: zijn we op de goede weg?” (zie http://www.dakweb.nl/nl/roofing-holland-1996-11-10-certificering-zijn-we...). Marco de Kok, lange tijd werkzaam bij certificatie-instelling SGS INTRON, geeft antwoord, zowel vanuit het verleden als het heden.

Marco de Kok

Op een (attest-met-)productcertificaat staat de tekst (niet geheel letterlijk) dat de certificatie-instelling het gerechtvaardigd vertrouwen heeft dat de certificaathouder de kwaliteitsbewaking op de juiste wijze heeft ingericht en ook uitvoert en dat de producent in staat is om te waarborgen dat de gecertificeerde producten aan de gestelde eisen en declaraties voldoen.

Dit is in mijn ogen de kern van certificering: je kunt als ­certificatie-instelling niet met honderd procent zekerheid ­stellen dat alle producten zullen voldoen aan de gestelde eisen en declaraties, maar door de controles in de fabriek en de verificaties op de producten kan er wel een ver­trouwen uitgesproken worden dat het allemaal wel goed zit. Volgens mij bedoelde Arno Bron dat destijds ook met zijn alinea over de kern van certificering. Hier is dus niets aan veranderd lijkt me.

Kostenplaatje

Bron benadrukte destijds vooral de kosten van de totstand­koming van een beoordelingsrichtlijn (BRL). Letterlijk: “Het produceren van een beoordelingsrichtlijn is geen prestatie op zich, maar meer een noodzakelijke randvoorwaarde”. Dit klopt ook wel, maar men moet het belang van een goede BRL niet onderschatten. Ik heb zelf aan de wieg mogen staan van de huidige BRL1511 voor baanvormige dakbedekkingen en ik weet het belang, maar ook de complexiteit van het eenduidig opschrijven van eisen: er mag geen ruimte zijn voor vrije interpretatie. Daarom wordt er in de Technische Commissie soms over één zin of paragraaf urenlang gediscussieerd om de juiste formulering op papier te krijgen. Dit is in ieders belang, want hier geldt: gelijke ­monniken, gelijke kappen.

Wat in de loop der tijd wel steeds meer invloed op de beoordelingsrichtlijnen heeft gekregen, is de Raad voor Accreditatie. In het verleden, en dat was ook nog voor de tijd dat Arno Bron zijn artikel schreef, viel het certificatiesysteem van KOMO helemaal niet onder accreditatie. De eisen waaraan een BRL moest voldoen, werden door KOMO naar eer en geweten zo goed mogelijk vastgesteld. Maar met de komst van de eisen van de Raad voor Accreditatie is het er zeker allemaal nog complexer door geworden. En ik denk dat er ook een duidelijk verschil zit tussen 1996 en vandaag de dag. Dit komt natuurlijk ook door gewijzigde en evoluerende accreditatie­normen, maar ik heb meerdere keren gedacht tijdens mijn werkzame verleden bij SGS INTRON: “Wat een geneuzel ­allemaal”. De regeltjes om aan de accreditatie-eisen te voldoen, gaan echt ver.

Opstellen Beoordelingsrichtlijnen

Zoals hiervoor al beschreven, is het opstellen van een BRL er niet makkelijker op geworden. De accreditatie-eisen zijn een reden, maar de Europese regelgeving in de vorm van CE-markering is nóg een reden. Toen Arno Bron zijn artikel schreef, was er nog geen sprake van CE-markering en er waren ook geen geharmoniseerde product- en testnormen. Ieder land had bijvoorbeeld zijn eigen verouderingsmethoden en ook inzake het testen van vliegvuurbestendigheid was geen eenduidigheid te bespeuren. Wat betreft dat laatste is dat eigenlijk nog steeds zo, maar voor wat betreft de andere testmethoden voor dakbanen, is er wel degelijk een goed geharmoniseerd pakket van test- en productnormen ontstaan. Dit moet het leven van een producent zeker makkelijker hebben gemaakt.

Maar waar ik op doel, is de discussie sinds de invoering van de CPR over wat er nu wel en niet vermeld mag worden in een certificaat en wat wel en niet gecontroleerd mag worden. Dit heeft tot gevolg gehad dat met de huidige BRL1511 krampachtig gezocht is naar een ­ manier van certi­ficeren die voldoet aan de eisen van Europa en op zijn minst getolereerd wordt door de ­Nederlandse handhavings­instantie IL&T. Dit heeft voor de inhoud van de BRL1511 behoorlijk wat consequenties gehad, wat het er dus niet eenvoudiger op heeft gemaakt. Als voorbeeld noem ik de BRL1309 voor platdakisolatie. Deze Technische Commissie is nu al jaren over dit onderwerp aan het steggelen en het ziet er niet naar uit dat er snel schot in de zaak komt. En ondertussen wordt er nog gewerkt met een sterk verouderde BRL, waardoor een certificatie-­instelling niets anders kan dan in een certificaat verwijzen naar een verouderde versie van het Bouwbesluit.

Tenslotte wil ik toch nog wel een andere reden aanstippen dat het tot stand komen van een BRL vertraagd of ­moeilijk maakt en dat zijn commerciële belangen. De BRL1511 ­bestaat bijvoorbeeld uit 5 delen, elk deel (behalve deel 1) heeft betrekking op een specifiek materiaal waar de dakbedekking uit bestaat. Er mag natuurlijk tussen deze delen geen onderscheid zitten, waarmee er een materiaal bevoordeeld of benadeeld zou worden. Dit levert uiteraard ook veel discussie op, wat het proces vertraagt.

Controle

Wat betreft dit aspect is er zeker wel wat veranderd ten opzichte van 1996. Men moet niet uit het oog verliezen dat de Technische Commissie van een BRL bestaat uit marktpartijen, zoals producenten, verwerkers, testinstituten en een certificatie-instelling (soms meerdere). Het controleniveau wordt dus in principe door de, in dit geval, dakbedekkingsindustrie zelf bepaald. Weliswaar moet de certificatie-instelling bewaken dat het controleniveau op een dusdanig niveau is, dat het nog steeds aan de accreditatie-eisen voldoet en dat er nog steeds met een gerust hart op een certificaat geschreven kan worden dat de certificatie-instelling het ‘gerechtvaardigd’ vertrouwen heeft dat de certificaathouder de kwaliteitsbewaking op de juiste wijze heeft ingericht en ook uitvoert en dat de producent in staat is om te waarborgen dat de gecertificeerde producten aan de gestelde eisen en ­declaraties voldoen. Maar mijn ervaring leert dat het controleniveau, en dan met name de productverificaties, steeds hoger is geworden. Om maar een paar dingen te noemen:

  • Het aantal producten dat jaarlijks geverifieerd dient te worden is hoger geworden. Denk maar aan de splitsing dakbedekking in toplagen en onderlagen;
  • Monstername uit het veld is geïntroduceerd;
  • Distributeurs die een gecertificeerd private label product verkopen, worden nu zelf ook onderworpen aan een audit.

Al deze verzwaringen zijn door de industrie zelf voorgesteld om in de BRL op te nemen, dit wordt door KOMO of de accreditatie-eisen niet verplicht.

Arno Bron pleit ook nog voor een onderscheid in controle­niveau van kwaliteitssystemen bij producenten. Als bij audits blijkt dat dit goed in orde is, kan met minder ­controlemomenten worden volstaan. Dit is nu typisch zo’n punt waar de Raad voor Accreditatie over zou vallen, want hoe is dit meetbaar? Het biedt ruimte voor ­interpretatie, waardoor onderscheid gecreëerd kan worden tussen certificatie-instellingen of zelfs auditoren. Maar ik denk dat Brons pleidooi uiteindelijk toch gehonoreerd is door het jaarlijks aantal audits van drie naar twee terug te brengen, als een producent ook ISO9001 gecertificeerd is. Dit is goed meetbaar en laat geen ruimte voor interpretatie.

Certificeren is dienstverlenen

Hierover heeft Bron uiteraard volkomen gelijk: een producent wil graag de kwaliteit van zijn producten bevestigd zien door een derde onafhankelijke partij in de vorm van een certificaat. Dit is een dienst die een certificatie-instelling kan leveren. Maar Bron gaat hierin verder: hij zegt namelijk dat de dienstverlening ook inhoudt dat een auditor of certificatiedeskundige van een certificatie-instelling de producent bij de hand moet nemen en hem wegwijs moet maken in de wereld van kwaliteitsbewaking en certificering.

Wellicht kon dat in 1996 nog, maar heden ten dagen is dat eveneens weer door accreditatie-eisen niet meer mogelijk. Als certificatie-instelling mag je een producent niet helpen bij het inrichten van een kwaliteitssysteem of hoe hij corrigerende maatregelen zou kunnen nemen bij de constatering van een non-conformiteit. Hoe graag je deze dienstverlening ook zou willen verlenen (je wilt met al je kennis en ervaring toch een toegevoegde waarden kunnen bieden), het is formeel niet toegestaan om dat te doen. De gedachte hierachter is dat als je een producent hier advies over geeft, het je ook verantwoordelijk maakt hiervoor. Als een andere auditor of certificatie-instelling het advies geen goede of afdoende oplossing vindt, bestaat de kans dat de producent de verantwoording van zich afschuift en gaat wijzen naar de certificatie-instelling die het advies gegeven heeft. Hoe groot de verleiding ook is, helaas is deze vorm van dienstverlening uit den bozen.

De weg

Volgens Arno Bron viel er in 1996 nog veel te verbeteren. Ik vraag mij af of hij de huidige BRL1511 en het huidige certi­ficatiesysteem van KOMO, dat is beïnvloed, ingeperkt of onmogelijk gemaakt door allerlei regelgeving, als een verbetering beschouwt. Ik ben in ieder geval van mening dat een certificatie-instelling en een instantie als KOMO voldoet aan een gegronde en terechte wens vanuit de markt: geef mij zekerheid.

Labels