Roofs 2019-08-32 'Stop met water naar de zee dragen!'

Aan tafel met…

In deze rubriek laat Roofs markante personen van binnen en buiten de dakenbranche aan het woord. De insteek is om de visie en de persoon achter die visie voor het voetlicht te brengen.

Tijdens de diverse evenementen die dit voorjaar werden ­georganiseerd om het dakgebruik onder de aandacht te brengen, was één spreker een constante. Friso Klapwijk van de Dakdokters/The Metropolder Company brengt het belang van met name de waterbufferende eigenschappen van het dak onder de aandacht. Het commerciële motief valt bij hem samen met zijn bevlogenheid: water is een grondstof waarvan het zonde is om dat zomaar via het riool weg te laten lopen. Roofs sprak met hem over zijn drijfveren.

Ander perspectief

Zijn eerste contact met de dakenbranche was een onderzoek dat hij als teamleider asset management in dienst van Arcadis uitvoerde naar duurzaamheid in de stedelijke gebieden en welke rol de natuur in bebouwd gebied zou kunnen spelen. “Dit was helemaal in mijn straatje,” vertelt Klapwijk. “Ik ben opgegroeid in een omgeving met veel natuur en mijn oom had een bouwbedrijf waar ik als kind veel was en waarvan zelfs sprake is geweest dat ik er zou komen werken. De combinatie van bouw en natuur sprak me kortom aan en toen ik in 2009 in het Parool las over de oprichting van de Dakdokters heb ik de initiatiefnemers (Daan de Leeuw en Matthijs Bourdrez) opgebeld met de vraag of ik mee kon doen. Aldus geschiedde.

Het bedrijf had destijds een goede manier gevonden om de aandacht te trekken. De medewerkers verschenen overal in witte doktersjassen en de boodschap was: de stad is ziek en wij gaan haar beter maken door zo veel mogelijk groen toe te passen op de daken. Klapwijk: “Dat is een boodschap waar ik sterk achter sta. Water is een grondstof en we laten het nu zomaar weglopen via het riool. Met name verstedelijkte gebieden hebben te kampen met wateroverlast en hittestress en ze hebben ongelooflijk veel ruimte om juist die problemen aan te pakken. Ik voelde me dan ook vanaf de eerste dag thuis bij het bedrijf. Op het dak krijg je letterlijk een ander perspectief, de geluiden worden gedempt en je ervaart de stad op een andere manier. Het vak heb ik in de praktijk geleerd, van een aantal goede leermeesters. Ik vind overigens dat het werk van een dakdekker te veel het imago heeft van een baan voor laag opgeleiden. Het is een ambacht, waar ook mensen van bijvoorbeeld havo-niveau goed hun ei in kwijt kunnen. Net als zoveel andere technische beroepen zou dit meer aandacht op basis- en middelbare school moeten krijgen.”

“Het bedrijf is opgericht aan het begin van de Kredietcrisis en natuurlijk hebben wij dat ook gemerkt. We merkten snel dat onze ambities wat te ambitieus waren voor de econo­mische situatie. In de loop der jaren vertrokken de twee oprichters en heb ik het bedrijf opnieuw moeten uitvinden. Ik heb besloten om naast het dakhoveniersbedrijf een dakdekkersbedrijf op te zetten. Op deze manier houd je het gehele dakpakket in eigen hand, wat zowel technisch als in de planning grote voordelen oplevert. We blijven daarmee een beetje een vreemde eend in de bijt: we zijn geen typisch dakdekkersbedrijf en we zijn ook geen typische dakhovenier, beide disciplines voeren we integraal uit. Onze vinding, het Polderdak, hebben we ondergebracht in een aparte BV, namelijk The Metropolder Company.”

Het bedrijf richt zich met name op de bestaande bouw. Daarnaast brengt men het Polderdak-concept ook naar de Verenigde Staten, meer precies: New York. Deze stap is de voornaamste reden dat het concept in een aparte BV is ondergebracht. “Hier speelt de problematiek van onvoldoende rioolcapaciteit nog veel sterker dan in bijvoorbeeld Rotterdam en er is een grote behoefte aan onze kennis op dit gebied. We hebben er momenteel één vertegenwoor­diger, maar de verwachting is dat we het concept daar verder uit kunnen bouwen.”

Wie zal dat betalen?

Deze aparte positie zorgt er ook voor dat Klapwijk zich met veel andere zaken bezighoudt dan alleen het daken voorzien van een groen dakpakket. We noemden al zijn vele spreekbeurten ter promotie van het dakgebruik, maar ook horen gesprekken met de gemeente en het (laten) uitvoeren van onderzoek tot zijn activiteiten. “Ik zie dat een beetje als mijn persoonlijke missie. Ik denk ook wel dat wij op dit gebied voorlopers zijn, wij laten zien wat mogelijk is,” zegt hij. “Je ziet dat het besef groeit dat er op het dak veel meer mogelijk is dan tot nu toe werd gedacht, maar het gaat langzaam en ook de regelgeving is veelal nog niet afdoende op de mogelijkheden ingericht. Naar verhouding worden groendaken nog steeds maar mondjesmaat toegepast. Als je het woord ‘daklandschap’ in Google intikt, kom je veelal artikelen met het woord ‘behoud’ erin tegen. Het is heel moei­lijk om de ontwikkelingen op gang te brengen. Het probleem is in veel gevallen niet dat men er het nut niet van inziet, de vraag is veel meer: wie zal dat betalen? Hier ligt een belangrijke rol voor de overheid: de daken zullen hoe dan ook een belangrijke rol moeten spelen op het gebied van de klimaatadaptatie en als we het goed doen, is het dak een belangrijke sleutel in de oplossing van dat vraagstuk.”

Klapwijk: “Het is voor dit type daken veel lastiger om er een terugverdienmodel aan te koppelen, zoals dat wel bij de ­toepassing van zonnepanelen op het dak gebruikelijk is. Er zijn wel rekensommen te maken, TU Delft helpt ons daar momenteel mee. Denk daarbij aan berekeningen van de hoeveelheid water die met groenblauwe daken opgevangen kan worden en elders ingezet: wat scheelt dit, niet alleen aan
rioleringskosten, maar ook bijvoorbeeld aan CO2-uitstoot en energiewinst? Ook wordt er gekeken naar manieren om ­dergelijke daken met behulp van co-financiering te realiseren. Er is geld beschikbaar, in groenfondsen en investeringen die nu in (riool-) infra worden geinvesteerd. Wij laten met voorbeelddaken en referentieprojecten (zoals bijvoorbeeld het ­Vivaldigebouw in Amsterdam, winnaar dak van het Jaar 2017) zien wat er zoals mogelijk is. Er is uiteindelijk geen keuze. Het hemelwater afvoeren via het riool is letterlijk water naar de zee dragen. Daar schieten we dus niets mee op.”

Rust en ruimte

Een andere drempel is natuurlijk een technische. Men wordt vaak zenuwachtig van de gedachte dat er een tuin of een waterbassin op het dak wordt aangebracht. “Technisch hoeft dat geen enkel probleem te zijn, maar alles staat of valt natuurlijk met een goed aangebrachte waterdichte laag,” aldus Klapwijk. “Er wordt veel van de dakdekker geëist. Het is daarom tijd dat de sector een stap zet en ervoor zorgt dat de dakdekker de rust en de ruimte krijgt om zijn werk op een kwalitatief goede manier af te leveren. Dat betekent dat in de bouwplanning een reële tijd moet worden ingeruimd om de werkzaamheden uit te voeren en het is van essentieel belang dat deze werkzaamheden met marktconforme prijzen worden beloond. Er wordt nog steeds vaak puur op prijs gestuurd en dat is onverstandig. Met alle bouw-, isolatie- en gebruikseisen is vakmanschap in voorbereiding en uitvoering belangrijker dan ooit.”

Klapwijk heeft destijds besloten zowel het dakdekkers- als het hoveniersgedeelte in eigen huis te organiseren. Klapwijk: “Daarmee hebben we natuurlijk de eigen ellende binnen het bedrijf gehaald, maar het is beter om conflicten over bijvoorbeeld de ­planning binnenshuis uit te vechten, dan dat je afhankelijk bent van een externe partij. Bovendien leren de medewerkers van elkaar. Zo wijzen onze medewerkers elkaar via de groepsapp op fouten en onzorgvuldigheden, waarmee de organisatie groeit. Het heeft een paar jaar gekost, maar er staat nu in alle opzichten een sterke en volwassen organisatie, waar ik enorm trots op ben.”

Labels