Roofs 2019-11-56 België maakt inhaalslag op gebied van vliegvuurbestendigheid

Special Brandveiligheid

Het zal een aantal van de lezers van Roofs niet ontgaan zijn: met de herziening en publicatie van alle ATG’s voor flexibele dakbedekkingssystemen in juni van dit jaar neemt België een voorschot op het verschaffen van eenduidige informatie op het gebied van vliegvuurbestendigheid voor de aannemerij. De mogelijke invloed van dit Belgische initiatief op de Nederlandse markt wordt in dit artikel verder verduidelijkt.

Onder vliegvuurbestendigheid van een dakbedekkings­systeem wordt in Europa verstaan: de mate waarin een dakbedekkingssysteem bestand is tegen een van buitenaf op een dak terechtgekomen brandhaard. Binnen Europa valt deze vliegvuurbestendigheid onder de zogenaamde Essentiële Eisen van de EU Richtlijn Bouwproducten en daarmee moet er op het CE-label van dakbanen en de bijbehorende DOP (Declaration Of Performance) een uitspraak over de vliegvuurbestendigheid staan.

Vier beproevingsmethoden

Binnen Europa wordt deze eigenschap aangestuurd via de geharmoniseerde EU-norm EN 13501-5. In deze norm wordt voor de beproevingssystematiek verwezen naar de geharmoniseerde technische specificatie CEN/TS 1187. Het begrip ‘geharmoniseerd’ moet hierbij wel anders voorgesteld worden, CEN/TS 1187 omvat namelijk vier verschillende beproevingsmethoden, die elk op hun eigen specifieke manier het aspect vliegvuurbestendigheid toetsen. Deze vier methodes zijn de van oudsher toegepaste methoden vanuit Nederland/België/Duitsland (1), Scandinavië (2), Frankrijk (3) en UK/Ierland (4). Omdat er geen hiërarchie tussen de vier methodes geldt, kan elk land in Europa zelf kiezen voor welk type gebouw in haar regelgeving één van de vier methodes het beste past. In de praktijk kiest een land meestal maar één methode, maar er zijn landen waar meerdere methodes door de regelgeving aangestuurd worden.

De vier methodes onderscheiden zich o.a. door:

  • Type vuurhaard/-bron;
  • Aanwezigheid van wind;
  • Aanwezigheid van extra warmte (IR-straling);
  • Grootte en aantal proefmodellen;
  • Hellingshoek.

Voor Nederland, en de omringende landen België en Duitsland, is in de regelgeving gekozen voor het principe van methode 1 en omdat de classificatie die daarbij hoort uitgedrukt wordt als BRoof, is inmiddels in deze markten het begrip BRoof T1 ingeburgerd. Belangrijk is hierbij wel te weten dat de specificatie CEN/TS 1187 niet eenzelfde status heeft als een Europese EN-norm. De bedoeling is dat de methoden op termijn omgezet kunnen worden naar een EN-norm. In de tussenfase staat het de landen vrij de methodieken nog voor te stellen als lokale norm, zo geldt bijvoorbeeld voor Nederland dat de beproevingsmethode is overgenomen in de Nederlandse norm NEN 6063. Dat is dan ook gelijk de norm waarnaar in het Bouwbesluit wordt gerefereerd.

Bewijslast

Het Bouwbesluit geeft wel aan voor welk gebouw en onder welke praktijksituaties er een eis geldt van vliegvuur­bestendigheid, maar het Bouwbesluit geeft verder niet aan hoe de bewijslast geregeld moet worden. In Nederland wordt deze bewijslast verwoord in de KOMO kwaliteits­verklaring voor flexibele dakbedekkingssystemen, waarin een apart hoofdstuk opgenomen is dat aangeeft hoe aan deze eis is voldaan.

Voor België geldt min of meer eenzelfde systematiek: de eis voor vliegvuurbestendigheid is daar vastgelegd in een Koninklijk Besluit en in België wordt deze bewijslast verwoord in de ATG kwaliteitsverklaring voor flexibele dakbedekkingssystemen, waarin nu aparte bijlagen zijn opgenomen met benoemde systemen, waarin aangegeven wordt hoe aan deze eis is voldaan.

Tot zover lijkt het allemaal duidelijk geregeld en in privaatrechtelijke kwaliteitsverklaringen (want dat zijn zowel KOMO als ATG) vastgelegd, maar er is wel degelijk een groot verschil. Daar waar in NEN 6063 uitgegaan wordt van een standaard dakopbouw met EPS + glasvlies scheidingslaag als ondergrond, geldt in België (en ook Duitsland overigens) dat er een verdere onderverdeling gemaakt wordt naar type isolatie:

  • Brandbare thermoplastische isolatie (EPS)
  • Een thermoplast is een materiaal van kunststof, dat bij verhitting zacht wordt.
  • Brandbare thermo hardende isolatie (PUR/PIR)
  • Een thermoharder is een materiaal van kunststof, dat hard blijft als het verhit wordt en waarvan de structuur verkoolt of uit elkaar valt.
  • Onbrandbare isolatie (steenwol)

Voor deze drie hoofdgroepen van isolatiematerialen zijn in een periode van ca. 2 jaar door vrijwel alle fabrikanten (die dakbanen onder ATG-goedkeuring voorzien hadden) de testresultaten aangeleverd voor de in de ATG opgenomen dakbedekkingssystemen, in combinatie met de drie genoemde isolatiegroepen. Er zijn ook fabrikanten die deze informatie niet hebben aangeleverd: die fabrikanten krijgen in de ATG-bijlagen enkel de vermelding dat de dakbedekkinsgssystemen vliegvuurbestendig zijn, indien er een onbrandbare ballast- of zware schutlaag is op aangebracht.

Omdat de proeven in België volgens het worst-case scenario werden uitgevoerd, kon bij de classificatie van de diverse dakbedekkingssystemen gebruik gemaakt worden van het (voor deze brandproeven opgestelde) extrapolatiedocument CEN/TS 16459. In dit document wordt uiteengezet onder welke voorwaarden er (binnen de productgroepen van toegepaste materialen) andere dakbedekkingssystemen eveneens als ‘positief’, en dus BRoof, beoordeeld kunnen worden. Maar dat geldt dan dus wel per productgroep: je kunt binnen het kader van dit extrapolatiedocument niet een resultaat met een thermoplastisch isolatiemateriaal als EPS ‘vertalen’ naar eenzelfde dakbedekkingssysteem waarin een thermohardend materiaal als PIR of zelfs een onbrandbaar materiaal als steenwol is verwerkt.

Omdat ook in België de verantwoordelijkheid op de bouwplaats naar de aannemer is verlegd, kan deze nu dus op eenvoudige wijze met behulp van de ATG (laten) bewijzen of het voor het project geldende dakbedekkingssysteem inderdaad vliegvuurbestendig is. Via de eerder dit jaar aangenomen Wet kwaliteitsborging voor het bouwen gaat dit fenomeen zich ook in Nederland voordoen: maar in tegenstelling tot de ATG, waarin in plaatsingsfiches de systemen eenduidig worden aangegeven, moet je een expert zijn om met een KOMO kwaliteitsverklaring dezelfde bewijslast boven water te halen.

Daarenboven zijn in het kader van de ATG nu ook heel veel Europese BRoof T1 classificatierapporten voorhanden, met alle drie de productgroepen isolatiematerialen, dus wat is er straks gemakkelijker dan de classificatierapporten rechtstreeks als bewijslast in te dienen? Tel daarbij op dat een groot aantal fabrikanten van dakbedekkingssystemen met een ATG ook beschikt over een CTG, dus de classificatierapporten kunnen eenvoudig hun eigen weg gaan vinden in de Nederlandse markt! Want nogmaals: het Bouwbesluit spreekt zich niet uit over de wijze van aantonen dat aan de vliegvuurbestendigheid wordt voldaan. Dit kan dus zowel via een KOMO kwaliteitsverklaring als een EU classificatierapport. En probeer een opdrachtgever maar eens uit te leggen dat een KOMO kwaliteitsverklaring dezelfde informatie geeft als het EU classificatierapport, want in het classificatierapport staat de bewijslast compleet omschreven, terwijl in de kwaliteitsverklaring enkel in een paar regels wordt gesteld of de dakbedekkingssystemen voldoen.

Producttypen

Overigens mogen de dakbanen die deze vliegvuurbestendigheidstest hebben doorstaan, de vermelding BRoof T1 op het CE-label en in de bijbehorende DOP weergeven. Maar omdat er geen verplichting is om de ondergrond erbij te vermelden, kun je dus eenvoudigweg volstaan met ‘BRoof T1’ , dus er gaat dan geen onderscheid zijn tussen dakbanen die conform ATG met alle drie de producttypen isolatie getest zijn en rollen die het predicaat BRoof T1 hebben verkregen via de in de KOMO kwaliteitsverklaring opgenomen aansluiting met het Bouwbesluit. Beter zou het wellicht zijn de term BRoof T1 uit te breiden door er de in Europa geldende code voor isolatiematerialen toe te voegen, zoals bijvoorbeeld BRoof T1 (EPS), BRoof T1 (PIR) of BRoof T1 (MWR).

Maar dan nog dekt dit de lading niet helemaal. Want er zijn nog meer isolatiematerialen die, omdat ze niet onder­gebracht kunnen worden in de drie standaard product­groepen, afzonderlijk beoordeeld zouden moeten worden. Wellicht zou het mogelijk zijn vast te stellen dat indien eenzelfde dakbedekkingssysteem de toets heeft doorstaan op zowel EPS als PIR en MWR, deze ook geacht wordt te voldoen op materialen als geëxpandeerd perliet (EPB) en Foamglas (CG) met de verwijzing naar BRoof (ALL) of BRoof (ISO).

FM Fire Rating

In het kader van vliegvuurbestendigheid wordt ook steeds vaker gevraagd naar de FM Fire Rating. FM betekent Factory Mutual en betreft een uit Amerika afkomstig certificeringssysteem, dat in combinatie met een verzekering (FM Global) nu ook steeds vaker zijn weg vindt in de Europese markt. Sterker nog, diverse Europese verzekeringsmaatschappijen geven nu ook al voor daken aan te eisen dat de dakbedekkingssystemen een FM Goedkeur dragen. Diverse fabrikanten hebben daarom, naast de nieuwe informatie inzake de Europese vliegvuur­bestendigheid, ook gelijktijdig de Amerikaanse vliegvuur­bestendigheid gekoppeld. Als voorbeeld de fabrikant Renolit, die in het kader van FM haar PVC dakbaan Alkorplan gekoppeld heeft aan Utherm, de PIR isolatie die door UNILIN wordt geproduceerd. Dan kun je die koppeling dus uit de bij FM behorende database ROOFNAV halen en dan heb je beiden geregeld, immers: Renolit heeft de PIR als productgroep laten classificeren als BRoof in het kader van haar ATG.

Je doet het dan qua bewijslast richting aannemer helemaal goed als je ook een uitspraak kunt doen over het brand­gedrag. Recent kwam weer een projectsituatie naar boven, waarbij de opdrachtgever zich beriep op een toelichting van de brandverzekering, waarbij gesteld werd dat het dak een brandklasse B moest hebben. Indien je deze, zoals UNILIN dat heeft, kunt voorleggen voor haar leveringsprogramma UTHERM PIR isolatieplaten in End-use situatie, ben je ook hiervoor ingedekt.

Tenslotte kan er voor de complete dakopbouw inclusief de ondergrond nog een eis gesteld worden aan de brandwerendheid, oftewel REI-waarde uitgedrukt in minuten. In een eerder artikel over het Hybride Dak, waar een combi­natie tussen Xtratherm/ UTHERM PIR en Isoroc steenwol isolatie in combinatie met Alkorplan PVC dakbedekking werd uitgevoerd op een staaldak, en getest op 45 minuten, is duidelijk gemaakt dat met de juiste detaillering in principe ook de 60 minuten als uitspraak gerealiseerd zou kunnen worden. Inmiddels heeft WECAL Dak- en Isolatie Techniek, als distributeur en initiator van deze specifieke engineering, op basis van deze brandtesten meerdere projecten geadviseerd.

Erik de Waard (Technical and Support Manager van Wecal Dak- en Isolatie Techniek)

Labels