Roofs 2021-03-27 Decorum

theo talks

In deze rubriek geeft Theo Wiekeraad zijn mening over de dakenbranche en aanverwante onderwerpen.

Ik kan mij nog goed herinneren dat ik op de lagere school zat. Het was een progressieve school begin jaren zeventig. Waarom progressief? Wel, wij kregen geen cijfers maar A t/m D als beoordeling. Dat interesseerde ons als kind geen snars maar op de verjaardagen was dat hot news voor de rest van de familie. Verder liepen onze juffen en meesters – zo noemden wij de docenten – er modern gekleed bij. Geen truttige jurken of kostuums, nee, in spijkerbroeken, hotpants, truien en shirts stonden zij voor de klas. Prachtig vond mijn vader het, terwijl hij zelf nog met een colbert aan naar de scheepswerf ging. Decorum op school was ver te zoeken.

Wat ruim vijftig jaar geleden op mijn lagere school kon, was lang in het bedrijfsleven not done. Op een kantoor droeg je een pak, een combinatie, een jurk of een rok met blouse. Een dame mocht op de fiets dan wel een lange broek dragen, maar op kantoor echt niet. Spijkerbroeken en een trui kwamen er niet in om van gympen en schoenen met kale neuzen maar niet te spreken. Een werknemer diende zich ongeacht zijn of haar positie stijlvol en netjes te kleden, of kon vertrekken. Als werknemer vertegenwoordigde je de firma en je kleedde je daar naar.

Ook ik kwam er zo’n 35 jaar geleden niet onderuit, ook ik moest aan een pak, hoewel dit in mijn geval meestal een combinatie was. Dat was een hele omschakeling en investering, want op de HTS in Rotterdam liepen alleen de docenten er zo bij. Mijn werkgever, Jan van Cappelle, van het gelijk­namige schade expertisebureau, stond op decorum. Als letterlijk jongste kracht hoefde ik niet in een grijze broek en een blauwe colbert, destijds ongeveer de dresscode binnen de bank- en verzekeringswereld. Maar stijlvol en strak moest het wel.

In de werkjaren hierna werd het heel wat vrijer. De stand- en decoratiebouw waar ik ging werken was een artistiekere bedrijfstak. Joviale omgangsvormen tussen alle geledingen binnen het bedrijf en op de beursvloer. Mijn kledingkeuze kon ik aanpassen aan de omstandigheden en aan de geplande werkzaamheden. Maar ging ik op bezoek bij klanten of relaties, dan was ik de vertegenwoordiger van “Atelier Leo Mineur” en kleedde ik mij daar naar. Laten we eerlijk zijn: een zakelijke relatie van een multinational die strak in het pak zijn werk doet mag toch verwachten dat hij of zij door iemand wordt bezocht in nette, schone kleding en niet door een clochard. De hiërarchische verschillen leken nihil. Bij een bezoek aan een opdrachtgever konden we elkaar benaderen als gelijkwaardig, ook al verdienden zij soms een veelvoud van wat ik verdiende en was de omzet het honderdvoudige van de onze.

Ongeveer dertig jaar geleden ging ik van de standbouw naar de echte bouw. Wat een verschil was dat! Qua kleding van het kader en middenkader ging ik weer terug in de tijd. Maar ook de onderlinge verhoudingen tussen kader en uitvoerenden waren van een hele andere orde dan in de standbouw. Veel hiërarchischer, echt baas boven sub-baas boven baasje boven uitvoerenden boven krullenjongen. Maar ook het verschil tussen opdrachtgever, opdracht(aan)nemer, onderaannemer en uitvoerend personeel van de onderaannemer was gestoeld op “geschikte” en ondergeschikte.

Daar waar Jan van Cappelle het toonbeeld van decorum was, strak in het pak en strak in de leer met een natuurlijk overwicht binnen zijn clan, was het in de bouw compleet anders. Een kostuum en een grote bek tegen iedereen leek de manier om overwicht te tonen, en te krijgen. Ook de omgangsnormen met klanten waren destijds van een niveau waarvoor een ondernemer zich nu zou schamen. Na opdracht was de aannemer de baas, had altijd gelijk. Wie daar aan twijfelde, kon de wind van voren krijgen. Onderaannemers leken wel het schuim der natie en moesten blij zijn met de botten die hen werden toegegooid. Beviel het ze niet dan morgen een ander.

Gelukkig is er de afgelopen jaren heel wat veranderd. Onder de druk van ‘we kunnen het niet alleen’ is de aannemerij een andere weg ingeslagen. Zonder goede relaties bleken velen ook maar een stelletje werkverdelers te zijn die te weinig rendement haalden uit iedere omgezette euro. Status en decorum zijn nog steeds belangrijk in de aan­nemerij, maar gelukkig nu wel met een menselijk gezicht.

Theo Wiekeraad