Roofs 2021-07-12 "Bitumen kleeft, dat laat je nooit meer los"

Dick van der Bom: vijftig jaar in de dakenbranche

Dick van der Bom is vijftig jaar actief in de dakenbranche sinds hij in 1971 begon bij Nebiprofa. In die halve eeuw heeft hij grote veranderingen in de branche gezien én mede bewerkstelligd.

Nolanda Klunder

“Het beeld vijftig jaar geleden was: dakbedekking is vies”, herinnert Van der Bom zich. “Dat was in een bepaald opzicht ook zo, de zachte dakbedekkingen waren op basis van teer of bitumen aangebracht volgens de gietmethode. Over de mensen in het vak werd daardoor, laat ik het eufemistisch zeggen, verschillend gedacht. In de decennia daarna hebben we bij de brancheverenigingen veel werk verzet om de branche naar een hoger niveau te tillen. Het ging daarbij om zowel de dakdekkingsproducten als de uitvoerende kant. De brancheverenigingen hebben een voortrekkersrol gespeeld bij de verbeteringen op het gebied van onder meer kwaliteit, arboregelgeving, veiligheid en certificering.”

Van witmakers naar bitumen

Dick van der Bom begon zijn carrière in 1964 in het laborato­rium van Unilever, waar hij werkte aan witmakers voor wasgoed. In 1971 solliciteerde hij naar de functie Hoofd Laboratorium bij Nebiprofa in Hendrik-Ido-Ambacht, producent van bitumi­neuze dakbedekkingen. “Dat was natuurlijk een mooie functie, een functie die je bij een enorm bedrijf als Unilever niet snel bereikt. Bovendien wilde ik graag dichter bij huis werken. Ik solliciteerde en werd aangenomen. Vergeleken bij mijn vorige werkgever was dit laboratorium een grote stap achteruit, ik had één assistent en niet eens een elektronische weegschaal. Maar als je in de dakenbranche terechtkomt, ga je ofwel binnen twee jaar weg omdat je het niks vindt, of je blijft voor altijd. Bitumen kleeft, dat laat je nooit meer los.”

In de jaren daarna werd Van der Bom bij Nebiprofa adjunct-directeur (1976) en directeur (1978). Directeur zou hij blijven tot eind 2005. Nebiprofa heeft gedurende die periode ver­schillende aandeelhouders gehad; sinds 2000 was IKO enig aandeelhouder. Daarnaast is hij altijd actief geweest in commissies en besturen. Hij werd in 1998 voorzitter van ­branchevereniging Venedak, dat later Probasys Benelux werd. Hij bleef vanaf 2006 onafhankelijk voorzitter van de branchevereniging tot 2019, toen Probasys Benelux samenging met Bitubel in het nieuwe ProBitumen Benelux. Sinds tien jaar is Van der Bom voorzitter van Stichting DAKMERK.

Nieuwe materialen

In de jaren ‘70 waren er twee belangrijke ontwikkelingen, vertelt Van der Bom. “Ten eerste de ontwikkeling van de polyester drager, die een veel sterkere wapening biedt. Ten tweede de modificatie van bitumen, met name APP- en SBS-modificatie. Nederland ging snel over op gemodificeerd bitumen. Gieten hoefde niet meer, voortaan werden de materialen aangebracht via de brandmethode. In de jaren ’80 kwamen vervolgens de kunststof dakbedekkingen op, eerst PVC en vervolgens ook EPDM.”

“Toen het gemodificeerde bitumen en de kunststoffen opkwamen, heb ik me wel eens afgevraagd: zou de markt voor bitumen in het jaar 2000 nog bestaan? Niet-gemodificeerd bitumen vergt regelmatig onderhoud, elke drie jaar moest de dakdekker komen smeren en strooien. Bij gemodi­ficeerd bitumen is de termijn van onderhoud heel anders geworden. Je ziet nu dat de dakdekker niet alleen de bedekking komt aanbrengen, maar veel meer verstand is gaan krijgen van dakfysica vanwege de toepassing van isolatie. Hij is eerder een dakaannemer geworden.”

Regelgeving en certificering

“Doordat de dakdekker nu niet meer hoeft te gieten, is het werk schoner geworden. Of het werk daardoor ook fysiek minder zwaar geworden is, weet ik niet. Voor de zwaarte van het werk is vooral van belang dat een rol vroeger 40 tot 50 kilo woog. Door nieuwe arbo-regels mag dat nu nog maar 25 kilo zijn. Dus leveren producenten nu kortere en daardoor lichtere rollen. Dat is een voorbeeld van hoe producenten en verwerkers samenwerken.”

Ook andere ontwikkelingen zijn op gang gekomen door zulke samenwerking. Een belangrijk verschil met de jaren ’70 is de veiligheid. “Daar is veel verbeterd. Vroeger zag je bij staalbouw de jongens bovenin wel eens een sigaretje roken. Nu hebben we dakhaken, valbeveiliging, veiligheidsvoorschriften voor föhnen en branden, zelfklevende materialen. Er verandert veel en vanuit de producenten zullen de veranderingen nog doorgaan. Als de markt ergens om vraagt, bijvoorbeeld om zelfklevende materialen, gaan de producenten aan de slag om de innovaties te ontwikkelen zodat ze voor blijven lopen.”

Zijn er dingen die vroeger beter waren? “Nee, niet echt. In de jaren ‘70 had je een vestigingsvergunning nodig om een dakdekkersbedrijf te beginnen en daarvoor was een diploma vereist. Dat is losgelaten en in eerste instantie was dat een achteruitgang. Ineens kon iedereen met een auto en een brander een dakdekkersbedrijf beginnen. Toch is uiteindelijk de kwaliteit van de dakdekkersbranche verbeterd, vooral door de inspanning van brancheverenigingen. BDA en Venedak hadden hun eigen kwaliteitseisen, dat leidde tot verwarring in de markt. Nico Hendriks en ik hebben de hoofden bij elkaar gestoken en samen de VBD-eisen vast­gesteld. Toen ging het snel en kwam de certificering onder de KOMO-vlag.”

Door certificering is het kwaliteitsniveau verbeterd. Van der Bom: “Maar je moet niet vergeten dat producenten concurrerend moeten blijven op de markt. Dus zij leveren bij voorkeur niet méér dan wordt gevraagd. Zo zijn de minimumeisen in de certificering in de praktijk min of meer maximumeisen geworden. Het kwaliteitsniveau is daardoor genivelleerd. Producenten zoeken andere manieren om zich te onderscheiden. Alles bij elkaar is de product- en procescertificatie een wezenlijke verandering geweest. Kwaliteit wordt sindsdien door derden bewaakt.”

Internationalisering

Een ander verschil is de toenemende internationalisering, zegt Van der Bom. “De uitvoerende kant is nog helemaal nationaal. Vebidak en DAKMERK gaan ook vrijwel niet de grens over. Dat staat in contrast met de producenten die door overnames steeds meer internationaal worden. Toen ik in 1971 begon waren er acht, negen bitumenproducenten in Nederland, nu zijn er nog twee: Soprema en BMI. Van IKO worden de rollen in België gemaakt. Deze beweging zet door, de concentratie gaat verder door overnames, met als recent voorbeeld de overname van Fons Meeder BV door Soprema.”

Producenten zijn niet alleen vaker internationale bedrijven, ze hebben vaak ook andere rollen in de keten. “In de jaren ‘70 waren producenten vaak ook dakdekkers”, zegt Van der Bom. “Maar die combinatie komt vrijwel niet meer voor. Producenten zijn nu vaak ook distributeur. De dakbedekkingsbedrijven zijn juist meer gespecialiseerd geraakt. Voorheen kwam de combinatie loodgieter-dakdekker veel voor, nu is een dakdekker vaak alleen gespecialiseerd dakdekker.”

Toekomst

De meest recente ontwikkeling is uiteraard de opkomst van multifunctionele daken. “Dat begon voorzichtig met mos-sedum-daken, maar die ontwikkeling is veel verder gegaan”, zegt Van der Bom. “PV-daken, daktuinen, zeg soms maar gerust dakbossen, parkeerdaken, daken voor waterberging, voetbal­velden of tennisbanen, etcetera. Vanwege het ruimtegebrek in ons land is dit een belangrijke ontwikkeling die in de toekomst nog sterker zal doorzetten. De toekomst kunnen we al een beetje zien bij Little C in Rotterdam of The Valley van Winy Maas in Amsterdam: verticale dorpen met gevels met planten en volop gebruik van multifunctionele daken.”

Als hij een wens mocht doen voor de branche, wat zou die dan zijn? “Ik zou wensen voor meer daken met zachte dakbedekkingsmaterialen in baanvorm. Bitumen en kunststof kunnen ook op hellende daken. In Nederland is het een gewoonte om hellende daken te voorzien van harde schubvormige dakbedekkingen zoals dakpannen, maar daar is geen noodzaak voor. Mijn wens zou sowieso zijn: meer platte daken. Die zijn niet alleen economischer wat betreft ruimte binnen, maar ze bieden vooral veel meer prachtige mogelijkheden zoals daktuinen.”

Labels